Jungpioniere

 

De organisatie rondom de jeugd kent drie stappen. De eerste stap is de Jungpioniere, de tweede de Thälmannpioniere en ten slotte was er de FDJ. De kinderen werden in deze organisaties klaargestoomd om te functioneren in de socialistische samenleving.

In de DDR begon elk schooljaar op 1 september. In de eerste klas is het mogelijk dat de kinderen lid worden van de Jungpioniere. In 1981 waren er zo’n 1,6 miljoen kinderen lid van de Jungpioniere. Als een kind lid werd van de JP dan kreeg hij/zij de blauwe halsdoek uitgereikt. Bovendien moest er nog de Pioniereed afgelegd worden.
De eed: “Ik beloof, een goede Jungpionier te zijn, ik wil volgens de geboden van de Jungpioniere leven.”

De geboden van de Jungpioniere:
Wij Jungpioniere…

….houden van onze Duitse Democratische Republiek.
….houden van onze ouders.
….houden van de vrede.
….onderhouden vriendschappen met kinderen uit de Sovjet-Unie en alle andere landen.
….leren vlijtig, zijn netjes en gedisciplineerd.
….letten op werkende mensen en helpen ze waar mogelijk.
….zijn goede vrienden en helpen elkaar.
….zingen en dansen, spelen en knutselen graag.
….doen aan sport en houden als lichaam schoon en gezond.
….dragen met trots onze blauwe halsdoek.

We bereiden ons voor, om goede Thälmannpioniere te worden.

Om de klas te laten herinneren dat ze Jungpioniere waren, moest elke ochtend voor aanvang van de lessen de verantwoordelijke leerling/pionier melden dat de klas volledig is en graag onderwezen wilt worden.

De leraar riep daarop: “Seid bereid!” en de klas antwoordde “Immer bereit!”. Dat was tevens de pioniersgroet. 

De pionierkleding bestond uit een witte blouse, waar op de linkerarm een embleem is gestikt (en eventueel een rang, één streep voor de Klassenraadvoorzitter en twee strepen voor de vriendschapsraadvoorzitter), een donkere broek of rok, een blauw schuitje en de halsdoek. Deze kleding werd vooral gedragen bij speciale gelegenheden. In 1974 werd de rode halsdoek voor de Thälmannpioniere geïntroduceerd.  

Er waren in de DDR ook ouders die er voor kozen om hun kind niet op te geven voor de Jungpioniere. Deze leerlingen kregen wel gewoon onderwijs, maar aan de Pionieractiviteiten mochten ze dan niet meedoen. 

Per leerjaar werd er ook een klassenraad gekozen. Deze raad was het aanspreekpunt voor leraren en leerlingen. Bovendien zorgde ze voor de ondersteuning van zwakkere leerlingen. De klassenraad bereide ook de Pioniermiddag (de woensdagmiddag) voor. 

In de vierde klas mochten de kinderen toetreden tot de Thälmannpioniere. De pionieren kregen toen hun rode halsdoek. Dit was een grote gebeurtenis, veelal werd de beëdiging in het openbaar gedaan. Bij de Thälmannpioniere kwamen er ook meer taken bij. Zo werd er een wandkrant gemaakt, hiervoor moest uiteraard ook weer een leerling verantwoordelijk worden. Verder werd er regelmatig contact gezocht met kinderen uit de Sovjet-Unie. 

De invulling van de pioniermiddag omvatte allerlei verschillende activiteiten. Zo kon er tijd gemaakt worden voor weersporten, marcheren, (militaire)liederen zingen, maar ook knutselen en andere activiteiten. De pionieren liepen bij de 1 mei manifestaties ook altijd mee. 

Vanaf de achtste klas kon je toetreden tot de Freie Deutsche Jugend.

Terug