Freier Deutscher Gewerkschaftsbund

 

10 juni 1945 nam de Sovjetleiding in Duitsland de beslissing dat er in de Sovjetbezettingszone vakbonden opgericht mogen worden.

In een congres van 9 tot 11 februari 1946 werd de Freier Deutscher Gewerkschaftsbund (FDGB) opgericht. Na de slechte ervaringen van voor de oorlog, waarbij vakbonden geleid werden door een bepaal ideaal of politieke stroming, besloten de oprichters van de FDGB een algemene vakbond op te richten. De FDGB had als doel om de vakbonden in alle bezettingszones te verenigen. Dit liep door onderlinge spanningen tussen de zones mis. Bovendien zaten in de leiding van de FDGB meer communisten en zij wilden toch naar een socialistisch systeem werken. Door het principe van het democratisch centralisme toe te passen, werd de vakbond steeds meer een verlengstuk van het regime. Op het 3de congres in 1950 erkende de FDGB de leidende rol van de SED. Het stijgen van arbeidsproductiviteit was het speerpunt geworden.
Als massaorganisatie in de DDR werd de FDGB toegelaten tot het Nationale Front. Dit betekende dat de vakbond zetels en inspraak had in het nationaal parlement.
In 1977 werd de dubbelrol van de vakbond als volgt omschreven: “Als ‘school van het socialisme’ moet de vakbond de wil van de partij overbrengen aan de arbeiders en als belangenvereniging van de arbeiders moet zij werken naar de vergroting van de levensstandaard.”  

In alle bedrijven was een afdeling van de FDGB actief. Het lidmaatschap was vrijwillig, maar lid zijn had toch wel veel voordelen. Zo was het makkelijker om promotie te krijgen als je lid was. Ze organiseerde ook allerlei gewillige vakantiereizen, daar kon je alleen mee als je lid was. Verder had de FDGB een vinger in de pap bij loonuitkeringen, opzetten van sportieve en culturele activiteiten en bij woningbouw/toewijzing.Veel mensen kozen daarom lid te worden. In 1986 waren er ongeveer 9,6 miljoen mensen lid.
In september 1990 kwam er een einde aan de FDGB.

Terug